HOMENIEUWSBIOGRAFIEBIBLIOGRAFIEFRAGMENTCOLUMNPERSCONTACTBESTELLENENGLISH

Ik was nooit in Isfahaan
 
De familie Onderweg

Mijn oom Sal kon ‘dankuwel’ zeggen in dertien talen en ‘weet u waar het toilet is’ in elf. Hij had beter ‘waar is hier de nooduitgang?’ kunnen leren in het Thais, zodat hij het brandende pand in Bangkok misschien levend verlaten had.
Zijn testament was een puinhoop. De familie leek tijdens de verdeling op een etnisch conflict op de Balkan. Een van oom Sals laatste grillen heeft mij tot curator van zijn kunstverzameling gemaakt. Nu was hij behoorlijk rijk dus het vermoeden bestond dat hij heel wat zou hebben verzameld. Mijn taak was het om het te catalogiseren. Het was allemaal opgeslagen in een loods, want oom Sal had geen huis om het neer te zetten. Hij hield van de Hopper-achtige doelloosheid van hotels. Die voorkeur had te maken met de dood. Mijn moeder zegt dat hij als jongen al paniekaanvallen kreeg bij de gedachte dat hij er op een dag niet meer zou zijn. Als hij maar in beweging zou blijven, zou de dood hem niet kunnen vinden. Dat die toch op hem wachtte in een jongensbordeel in Pat Pong, zal hem onaangenaam hebben verrast.
Ik heb oom Sal niet vaak ontmoet, maar wanneer ik hem zag, maakte hij indruk op me. Hij had zwervende ogen die zich nergens aan hechtten en kon niet stilzitten. Hij zei: ‘Luister goed, ik investeer uit-slui-tend in onaffe kunst. Op een dag zal de wereld begrijpen dat een onaf kunstwerk het enige ware kunstwerk is. De hele cyclus van een kunstenaar, al zijn bloed, zweet en tranen bereiken hun hoogste betekenis in zijn Unvollendete. Elke kunstenaar met een beetje verstand van zaken heeft er tenminste één – één groot werk dat hij nooit zal afmaken omdat de dood tussenbeide komt, of door een plotseling gebrek aan inspiratie dat hem treft als een windstilte op zee. Dát is het ware. Klimts Damenbildnis en face, eeuwig onderweg naar de voltooiing die het niet zal bereiken. Gogols Dode Zielen, púúr genie – en wij kunnen alleen maar raden naar zijn overige bedoelingen.’
Ik ging naar de loods. Ik vreesde het ergste. Vlak boven de grond zweefde een deken van muisgrijs stof. De zon viel op een sneeuwwitte beeldengroep, misschien eens bedoeld voor de Academie en nog maar half aan de steen ontworsteld. Onder het dak hingen aerodynamische wondertoestellen uit de renaissance, er stonden kersenhouten kasten vol partituren van Beethoven, Brahms en Schubert – velletjes met soms maar tien kikkervisjes op een notenbalk, een woud van hooggestemde bedoelingen waarvan er niet één was gerealiseerd. Geen noot hiervan was tot het publiek doorgedrongen, geen beeld of schilderij ooit tentoongesteld. Het was een symfonie van onderbrekingen, van een paar wilde vegen op canvas tot manuscripten die halverwege een zin ophielden.
Als eerste ben ik op zoek gegaan naar de oorspronkelijke partituur van Mozarts Requiem, waar zijn leerling Franz Süssmayr nog niet met zijn middelmatige tengels aangezeten had. Maar die was er natuurlijk niet, zodat de waarde van oom Sals paleis van laatste zuchten na aftrek van veilingkosten en belasting ongeveer gelijk was aan nul.

Uit oom Sals wilsbeschikking werd ook duidelijk dat zijn as moest worden uitgestrooid boven het Duitse waddeneiland Borkum, ten noorden van Eemshaven. Daar wilde hij worden herenigd met de plaats waar hij na de Tweede Wereldoorlog vijftig krijgsgevangenen van de Wehrmacht had bewaakt. Met twee van hen had hij een warme band gekregen. Na de oorlog werden ze zakenpartners in Duitsland, zodat de basis van oom Sals kapitaal werd uitgedrukt in D-mark.
Op een blauwgouden ochtend verzamelt zich in Eemshaven wat er nog van de familie over is na de Slag om Oom Sals Erfenis. Mijn moeder heeft de urn in een weekendtas gestopt, die wordt gedragen door oom Louis, die geen oom is maar een gewezen minnaar van mijn moeder die moeite heeft met afscheid. Ik begroet mijn zuster. Ook Kamahl is er, een aristocratische Egyptenaar uit Opper Egypte die we in stilte Papa Afrika noemen omdat hij de nieuwe echtgenoot is van mijn moeder. Hij is voor het eerst in Nederland. Mijn moeder en hij zijn vorig jaar getrouwd in Caïro. Ik herinner me de ochtend dat de telefoon ging – mijn moeder. Er zaten vogels op de lijn maar ik verstond haar goed.
‘Ik ben net getrouwd’, riep ze vanuit een gerechtsgebouw ergens in Caïro.
‘Met wie, moeder?’
‘Met Kamahl, dat wist je toch!’
‘Van harte, het is een grote dag.’
‘Doe niet zo raar, het is alleen maar formeel, zodat hij geen last krijgt met de politie. Ze zijn daar zó streng op nu, zelfs hand in hand lopen met een buitenlandse vrouw is al strafbaar. Zo’n leuk land is dit niet hoor.’
Mijn moeder is Kamahls derde vrouw. Dat mag van zijn geloof. Als zijn Egyptische vrouwen een minnaar nemen, slaat hij ze dood. Dat mag ook van zijn geloof. Mijn moeder is twintig jaar ouder dan hij, hij is vijf jaar ouder dan ik. Ook daar is zijn geloof mild over.
We zitten aan dek van de ferry met de zon in ons gezicht. Rondom ons drinken Duitsers Warsteiner. Langs de kust staan windmolens, vanaf tegemoetkomende zeilbootjes wordt naar ons gezwaaid.
‘Lothar!’ schreeuwt een vrouw naar een passerend scheepje, ‘Lothar! Oehoe!’
Ze zwaait met haar bierfles. Misschien heeft ze nog niet ontbeten. Kamahl bekijkt dit alles van achter zijn zonnebril, mijn zuster zit met haar ogen gesloten achterover. Ondertussen worstelt mijn moeder met de knoop rond haar hals die wordt veroorzaakt door het koordje van haar zonnebril, het koordje van haar gewone bril, een ketting van halfedelstenen zo groot als duiveneieren en de turquoise sjaal die ze om heeft. Ze slaagt er niet in die slangenknoop te ontwarren, ze zegt: ‘Kamahl, come help me.’
Kamahl komt overeind. Oom Louis draait zijn blik weg over zee.

In het Ranselgat, halverwege Eemshaven en Borkum, dirigeert mijn moeder ons naar het achterdek. Ik begrijp dat we daar aan oom Sals laatste wens zullen voldoen.
‘Wilde hij niet bóven Borkum worden uitgestrooid?’ informeer ik verbaasd.
‘Weet je wat dat kost’, zegt mijn moeder, en schroeft het deksel van de bronzen sierurn. Ze loopt naar de reling, daarbeneden bruist het schroefwater alsof het kookt. ‘Muziek’, zegt ze.
Papa Afrika haalt een cassetterecorder uit de weekendtas en rommelt tussen de bandjes. Vanaf het zonnedek kijken Duitse vakantiegangers op ons neer. Ik zoek een eerbiedige pose wanneer Schuberts onvoltooide achtste symfonie over het dek klinkt. Mijn zuster en ik kijken even naar elkaar als mijn moeder met haar ogen dicht zegenende gebaren maakt boven de urn. Als ze daarmee klaar is knikt ze kort, alsof ze zojuist overeenstemming heeft bereikt met de sferen. Dan neemt ze de urn op, tilt hem over de reling en keert hem om boven zee. Ik kijk gespannen toe, want de resten van een illuster familielid zie je niet elke dag. Maar uit de urn komt niets. Mijn moeder schudt ermee en kijkt er dan in.
‘Het zit een beetje vast’, zegt ze.
Onder haar ogen kruimelen brokjes zwarte kohl. Oom Louis snelt toe.
‘Misschien dat er vocht bij is gekomen?’ oppert hij.
‘Hij heeft een tijdje buiten gestaan. Ik wil dat vieze ding niet binnen hebben.’
We turen één voor één in de urn. Er zit een grijszwarte substantie in.
‘Dumpen dat ding’, zeg ik, maar mijn moeder meent dat er nog een soort statiegeld op zit.
‘Haal lepels’, zegt ze tegen Papa Afrika.
‘Mam’, zegt mijn zuster rood van verwijt, ‘het kolonialisme is voorbij, weet je.’
Na de ruzie die hieruit oprijst als een nucleaire wolk, lepelen we het deegachtige spul uit de urn en mikken het in zee. Papa Afrika zingt er een bedwelmend inheems dodenlied bij.

Top
Fragment uit Joe Speedboot
 
Het is een warm voorjaar, in de klas bidden ze voor me omdat ik al meer dan tweehonderd dagen van de wereld ben. Ik heb doorligplekken over mijn hele lichaam en een condoomcatheter om mijn fluit. Dit is het stadium van de coma vigil, legt de dokter mijn ouders uit: ik heb weer een beperkte ontvankelijkheid voor mijn omgeving. Het is goed nieuws, zegt hij, dat ik weer reageer op pijn- en geluidsprikkels. Reageren op pijn is onmiskenbaar een teken van leven.
Ze hangen eindeloos rond mijn bed, pa, ma, Dirk en Sam. Ik hoor ze al wanneer ze de lift uitkomen – een zwerm spreeuwen die de hemel verduistert. Ze ruiken naar olie en schrale tabak, ze hebben nog net de moeite genomen om hun overall uit te doen. Hermans & Zn., voor al uw sloopwerken. De familie Lood om Oud IJzer. Wij slopen autowrakken, fabrieksinstallaties, industriële werktuigen en af en toe een café-interieur als mijn broer Dirk het op z’n heupen krijgt. In Lomark mag Dirk bijna nergens meer in, maar in Westerveld nog wel. Daar scharrelt hij met een meid. Als hij thuis komt ruikt hij naar chemische viooltjes. Je kunt alleen maar medelijden hebben met zo’n griet.
Meestal hebben ze het over het weer, het oude liedje, de handel is slap en dat komt door het weer, maakt niet uit wat voor weer het is. Dan vloeken ze, eerst pa, dan Dirk en Sam. Dirk haalt zijn neus op en in zijn mond zit nu een rochel. Hij weet niet waar hij ermee naartoe moet zodat hij hem moet doorslikken – en hup, daar gaat ie al.
Maar sinds kort is er meer aan de hand in Lomark dan het weer. Sinds ik er een tijdje tussenuit ben is het trapgevelpand van de familie Maandag verwoest door een verhuiswagen en schrikt iedereen zich om de zoveel tijd een ongeluk door een enorme ontploffing ergens. Deze dingen schijnen te maken te hebben met een jongen die Joe Speedboot heet. Hij is nieuw in Lomark, ik heb hem nog nooit gezien.
Ik spits mijn oren wanneer het over Joe Speedboot gaat – hij klinkt als een goeie als je het mij vraagt, maar niemand vraagt mij wat. Ze weten zeker dat Speedboot die bommen maakt. Niet dat ze hem ooit hebben betrapt bij het maken van zo’n ding, maar voordat hij er was waren er nooit ontploffingen in Lomark en nu opeens wel. Dus. Ze zijn er goed chagrijnig van, kan ik je zeggen. Soms zegt ma ‘stil toch, us Fransje zou ’t ’s horen’, maar daar trekken ze zich niks van aan.
- Even roken, zegt pa.
Dat mag hierbinnen niet.
- Heet hij echt Speedboot? vraagt Sam, mijn broertje van twee jaar ouder.
Van Sam heb ik het minst te vrezen.
- Niemand heet Speedboot van zichzelf, zegt Dirk. Met z’n grote bek.
Dirk, de oudste. Een schooier. Over hem kan ik jullie verhalen vertellen.
- Och, die jongen is net z’n vader kwijt, zegt ma. Laat ’m toch es met rust.
Dirk snuift.
- Speedboot… achterlijke…
Ik heb er zowaar jeuk van, echt lekkere krabjeuk. Joe Speedboot, wat een bak.

Weken later liggen de wereld en ik nog altijd ademloos achterover, de eerste van de warmte en ik van het ongeluk. En ma huilt. Van geluk nu eens.
- Och, daar ben je weer m’n menneke, daar ben je weer.
Ze heeft elke dag een kaars voor me gebrand en denkt echt dat het geholpen heeft. In de klas menen ze dat zij het waren met hun gebeden. Zelfs die schijnheil van een Quincy Hansen deed mee, alsof ik ooit in zijn gebeden had willen voorkomen. Niet dat ik al uit bed mag, of naar huis. Zou niet eens kunnen. Ze moeten nog onderzoek doen aan mijn wervelkolom want zoals het nu is, kan ik alleen mijn rechterarm bewegen.
- Dat is net genoeg om te rukken, zegt Dirk.
Praten kan ik voorlopig ook vergeten.
- Het was toch nooit veel wat eruit kwam, zegt Sam.
Hij kijkt of Dirk daarom moet lachen maar die lacht alleen om zijn eigen grappen. Hij moet wel want niemand anders doet het.
- Jongens! waarschuwt mijn moeder.
Dit is de stand van zaken: ik, Fransje Hermans, één functionele arm met veertig kilo lam vlees eraan. Ik heb er wel eens beter voor gestaan. Maar ma is er godsblij mee; die was al dankbaar geweest voor één oor – mits het luisterde natuurlijk.
Ik moet hier zo snel mogelijk weg. Ze maken me gek met dat gehang rond mijn bed en dat geouwehoer over de handel en het weer. Vraag ik daarom? Nou dan.

Top

Lees een fragment uit:
 
  • Ik was nooit in Isfahan
  • Joe Speedboot